Ingesloten

Mijn wangen stonden strak van de kou toen ik de deur van de berghut achter me dichttrok. Uit de hut hoorde ik Eline roepen: “Waag het niet om me hier alleen achter te laten, schoft!”
Er klonk het geluid van brekend glas, en toen werd het stil. Ik bond mijn ski’s om en begon aan de afdaling. Even later zag ik Crans Montana liggen en daar beneden lag Sion met het kleine vliegveldje, mijn bestemming. Daar moest ik zo snel mogelijk naar toe. Zonder twijfel stortte ik me van de met rotsen bezaaide helling.
Als Eline de waarheid had gesproken, was dit mijn enige kans om te voorkomen dat alles gruwelijk fout zou gaan. Ik keek op en zag dat alle hoop verloren was. Het vliegveld bleek dicht, de startbaan bedekt met een dikke laag sneeuw.
Opeens voelde ik de sneeuw onder me schuiven. Voor ik het wist rolde ik naar beneden. Met mij kwam een ton extra sneeuw mee.
Toen werd het zwart.
#
“Is er niets wat we kunnen doen?” hoor ik Mariëlle vragen. Mijn vrouw? Waarom spreekt ze Duits? Ik wil mijn ogen openen en haar alles uitleggen.
“We kunnen alleen maar afwachten,” antwoordt een stem in Zwitsers-Duits die ik niet kan thuisbrengen. Haar stem klinkt warm. Waar ben ik in godsnaam? Ben ik dood? Van binnen schreeuw ik het uit, maar ik kan geen geluid uitbrengen. Het lijkt of iemand een kap over mijn hoofd heeft getrokken. Ik word er stapelmesjogge van. “Hij heeft erg lang onder de sneeuw gelegen.”
Ik lig in een Zwitsers ziekenhuis!
“Het lijkt wel alsof hij gewoon slaapt. Ik ben zo opgelucht dat hij zelf ademt.” Ze zucht. “Waarom heeft het toch zo lang geduurd voordat ze hem vonden?”
“Het ongeluk is pas enkele uren erna bekend geworden. Normaal gesproken is iemand die acht uur onder de sneeuw heeft gelegen dood. Maar hij had een grote luchtzak en dat is zijn redding geworden. Hij was wel erg onderkoeld.”
Ik ben dus niet dood. Ik voel iemand zachtjes mijn haar strelen. Het voelt prettig en vertrouwd aan.
“Hoe hebben jullie hem onder die sneeuw kunnen vinden?”
“We hebben zijn mobiele telefoon kunnen peilen.”
“Dat begrijp ik niet.”
Ik zie het levendig voor me en moet inwendig grinniken. Als Mariëlle iets niet snapt, trekt ze altijd haar bovenlip op en dat staat erg dom. Ik krijg haar er steevast mee op de kast.
“We vonden een vrouw in een van de berghutten met een gebroken enkel. Ze zei dat ze samen met een man was en dat die hulp was gaan halen omdat ze in die berghut geen bereik hadden.”
Het komt weer boven. Wat een doortrapt wijf! Mijn telefoon werkte perfect!
Ik hoor geruis van kleren. “Sorry, even checken of zijn infuus goed zit.” Ik voel wat gefriemel aan mijn ellenboog. Een vleugje lavendel dringt mijn neus binnen. “Dus u kent de andere vrouw? Ze is hier niet meer. Ze is met de eerste gipsvlucht naar huis gegaan.”
“Ja, dat weet ik. Ze is mijn jongste zus en ook zijn secretaresse. Ik heb haar gesproken.”
“O, uw zus,” klinkt het, alsof dat alles verklaart wat er is gebeurd. Ik was met Eline wezen skiën en ze verzekerde me met haar hand op het hart dat Mariëlle een ander heeft.
“Maar hoe is het mogelijk dat dat mobieltje nog werkte na zo lang onder een halve meter sneeuw te hebben gelegen?”
“Gelukkig had uw man een Sonim. Onverwoestbaar.” Ze slaakt een zucht. “Had iedere skiër maar zo’n ding.” Het is even stil. “Uw man is sterk en redt het wel. Ik zie het altijd aan de kin. Kijkt u maar eens goed: zijn kin straalt kracht uit.”
“Ja, en niet alleen uiterlijk.” Iemand strijkt zacht over mijn kin. Ik weet nu zeker dat het de liefde van mijn leven is. “Hij is ook zo lief en attent. Hij geeft me altijd het gevoel dat ik Nummer Eén ben.” De brok in haar keel gaat me door merg en been. “We hebben zelden ruzie, maar als het heeft geknetterd, neemt hij altijd een bosje rozen mee om het goed te maken, ook als ik ongelijk had. Ik vond het maar niks dat ik dit keer niet met hem mee kon.”
Ja, ja. O, Mariëlle, hoe kun je me dit aandoen?
“U stelt wel erg veel vertrouwen in uw man.”
“Ik vertrouw hem. Hij gaat zo vaak naar het buitenland voor zaken.” Ze pakt mijn hand vast en begint zacht te huilen. “Ik had Eline gevraagd mijn man met een smoes hier te houden afgelopen weekend.”
Ja, waaróm is wel duidelijk. Het verklaart haar vrolijke gedrag van de laatste tijd! Die geheimzinnigheid en ontwijkende antwoorden als ik thuiskwam en vroeg hoe haar dag was geweest. Waarom ze regelmatig thuis de telefoon niet opnam en haar mobieltje had uitstaan. Waarom haar moeder mij steeds ontliep als ik vroeg of ze wist waar Mariëlle uithing.
“Ik was iets aan het organiseren voor zijn veertigste verjaardag.”
Ik verstar. O, mijn God! Ik zal haar meteen ontslaan, zus of geen zus.
“Veertig? Die leeftijd zou ik hem niet gegeven hebben.”
“Ja, het moest iets bijzonders worden. Ik had al zijn vrienden van vroeger opgespoord voor een surprise party, maar die heb ik moeten afblazen.” Ik hoorde een tasrits opengaan en dat iets werd neergelegd op het tafeltje naast mijn bed. “Hier is zijn cadeau. Een horloge met inscriptie. Zijn verjaardag is vandaag.”
Vandaag?! Jezus, dan lig ik hier al een week! Ik wil Mariëlle in mijn armen nemen.
“Zijn oogleden beginnen te knipperen!”
“Dat heeft niets te betekenen. Dat is normaal voor iemand in zijn toestand.”
Ik wil schreeuwen dat ik op het verkeerde been ben gezet. Dat ik woedend was en gekrenkt. Dat ik bijna met Eline de koffer ben ingedoken, maar dat ik op het laatst ervan heb afgezien. Dat ik zo snel mogelijk naar huis wilde om haar terug te winnen en haar overspel te vergeven. Maar ik ben hulpeloos, ingesloten in mijn lichaam.