Bijna kerst

Rudolf Ridder had geen enkele last van zijn naam. Welnee! Hij was zich zelfs een ridder gaan voelen en wilde graag goed doen. Hij deed vooral goed voor kinderen. Jarenlang had hij met alle buurtkindjes in de zandbak gespeeld en mochten ze aan zijn baard trekken. Maar op een dag waren de ouders hem boos gaan aankijken. Ze hadden zand naar hem gegooid, en stokken.‘Komt door de media,’ had Ziggy gezegd, ‘die maken van elk spelletje een vies spelletje.’
Rudolf stopte met de zandbak en kocht op de rommelmarkt op het Korte Voorhout een Pietenpak. Sindsdien liep hij ieder jaar joelend mee in de Sinterklaasoptocht en gooide pepernoten naar alle kindertjes, lief of niet. Hij had zo’n plezier in de optocht dat hij ook mee begon te lopen met andere optochten. Maar op een dag kwam Piet groot in het nieuws. Piet bleek een slaaf te zijn. ‘Ik wil alleen maar goed doen,’ zei Rudolf. ‘Komt door de media, die maken van elk spelletje een vuil spelletje,’ zei Ziggy.
Ze zaten op een bankje in het Huygenspark. Er dwarrelde wat natte sneeuw.‘ Het is bijna kerst,’ zei Ziggy.
Haar peenhaar werd nat en haar handje gleed in de knuist van Rudolf. ‘Ben je weer je handschoenen kwijt?’ Ziggy trok haar snottebel op en zuchtte. Sinds haar pokdalige buurman in het buurtcafé had rondgebazuind dat hij haar vader was en haar moeder dat niet had ontkend, was ze haar evenwicht verloren. Ze viel overal en had een plakkaat op haar neus of op haar knieën. Rudolf had haar jaren geleden opgeraapt op de Banka. Haar treurigheid had Rudolfs hart beroerd en sindsdien waren ze samen. De lobbes met zijn rode baard en het streetwise vrouwtje met haar deuken.
‘Ja, ’ zei Rudolf, ‘ik wil Kerstman zijn. En ik wil een rendier en een arrenslee om door de straten van Den Haag te schuimen.’ Haar lach klaterde en Ziggy hoopte dat de sneeuw zou wegblijven. ‘Schatje, daar hebben we geen doekoe voor en weet je nog dat je met de roe werd geslagen?’ Tranen borrelden op in zijn ooghoeken die Ziggy wegveegde voordat ze soms bevroren.
‘Kom, Rudolf, we gaan, we moeten warm blijven.’ De grote man sjorde zijn schapenvel strak, pakte zijn tas met brood, olijven en kaas, en ook zijn mondharmonica waarmee hij klierende kinderen op straat kalmeerde. ‘Pas op voor de spuiten,’ zei Ziggy, ‘speed met een naald is het tegenwoordig helemaal.’ Rudolf ontweek een stapel rotzooi en zag verderop een man op de grond zitten. Hij kende hem, een timmerman die door zijn mokkel op straat was gezet toen hij werd ontslagen.
‘Hé man,’ zei Rudolf.
‘Jo,’ zei de ander zonder hem aan te kijken.
‘Heb je wat nodig, ik heb nog vijf euro.’
‘Welnee,’ zei de timmerman, ‘je ziet toch dat ik alles heb,’ en hij wees naar een aantal plastic tassen. ‘Het wordt koud man, straks vries je nog met je reet aan de keien.‘

Vorig jaar winter had de popo gecontroleerd op identiteitspapieren. Die van Ziggy en hem waren door een vingervlugge hufter uit zijn tas gestolen. Geld, meer dan een meier, hadden ze niet om aan het Spui twee nieuwe te halen. Ze hadden er wel gestaan, in de daklozenrij en het uitgelegd maar de ambtenaar had het loket voor hun neus dichtgedaan. Ze moesten eerst aangifte doen maar Rudolf weigerde naar een politiebureau te gaan. Het was een keer gebeurd dat hij was opgesloten omdat hij drie kastanjes naar een CD-auto had gegooid die hem de weg had afgesneden.
Zonder identiteitspapieren kregen zij geen zorgpas om bij de Kessler Stichting te slapen. Rudolf had Ziggy in portieken dicht tegen zich aangedrukt. Hoe klein ze ook was, ze had warmte nodig. Samen hadden ze zwijgend, vanuit hun onderkomens, naar uitpuilende boodschappentassen gekeken en waren op kerstavond naar de Vredeskapel gelopen. Hoewel kerkgangers hun neus hadden opgetrokken, had de predikant hen naar voren geroepen en voorgesteld als Jozef en Maria.

‘Waarom huil je nu weer Rudolf,’ vroeg Ziggy.
‘Weet je nog, verleden jaar, toen Gon ons uit de Vredeskapel mee naar huis had genomen?’ Ziggy klaarde op. ‘Je kon zelfs je baard uitwassen!’ Gon, die zich met haar portrettekeningen in de zomer wel kon redden, had peen met uien en klapstuk warm gemaakt toen zij en Rudolf onder de douche waren. Gon had zelfs een broek van haar overleden vent uit de kast gehaald die Rudolf wonderwel paste. Ziggy had rode wanten gekregen. In het tochtige voorkamertje waar overal doeken stonden, hadden zij glühwein gedronken, aarzelend gepraat en was hij in slaap gevallen. ’s Morgens had hij een sjaal gevonden naast zijn bord; in de kerstnacht gebreid door Gon en Ziggy.
‘Zig, wat gaan we doen met Kerstmis? Ik zou graag weer warmte willen voelen.’
‘En als we nu naar Cor van het Straatnieuws lopen?’ zei Ziggy. ‘Hij woont in Om en Bij, hier vlakbij. Als we hem nu eens vragen over ons te schrijven? Over daklozen die met Kerst even niet dakloos willen zijn? Die graag aan tafel in de warmte willen mee-eten?’
Rudolf rechtte zijn rug en keek vertederd naar zijn Ziggy. Het gebutste vrouwtje dat altijd overliep van de ideeën. Hij zette de pas erin terwijl zij doorpraatte. ‘Stel dat we Cor vragen een sticker bij de kersteditie te maken? Die mensen op het raam kunnen plakken. Zo van … Hier is ieder mens welkom. Of een vlaggetje? Die ze ophangen bij de deur. Net zoals ze doen met ‘Dichter aan Huis’? Dan zorgen wij dat het bij iedereen terechtkomt.‘