Eindeloos (gastauteur: AnneJo Joosten)

Zijn beentjes bungelden om mijn heupen. Even hield ik mijn pas in en ik sloeg ze opnieuw rondom mijn middel. Ik voelde weer zijn knokige knietjes en ik richtte mijn hoofd naar de hemel. ‘Oh, God… waar bent U? Wáár?’ Hij was mij vergeten. Hij was de wereld vergeten.
Ik zette mijn ene voet weer voor de andere en wendde mijn gezicht af van de wind die me mijn adem benam.
Elke kilometer leek langer en God stelde me op de proef in deze grauwe, kleurloze wereld. Na iedere boom maakte ik meer en meer passen tot de volgende en volgende, langs de rij bomen die eindeloos was. Eindeloos. Had dit allemaal nog wel zin? Ik wilde me neervlijen tussen de bomen en rust vinden. Goddelijke rust of goddeloze rust voor mijn part. Maar elk jammerlijk geluidje van Hein deed me beseffen dat ik door moest. De vrieskou en mijn tintelende voeten kon ik verdragen, maar zijn nauwelijks hoorbare gekreun doorkliefde mijn moederhart. Ik moest verder. Zijn hoofd rustte tegen mijn borst en koude adem cirkelde in wolkjes omhoog langs mijn sjaal. Mijn verkrampte hand gleed over zijn rug. ‘Alles komt goed,’ suste ik. En met Hein op mijn arm sjokte ik verder. Verder richting het Noorden en verder weg van de dood die ons als een schaduw achtervolgde. Nee, hij zou ons niet inhalen. Nooit!
In mijn hoofd repeteerde ik het adres dat ik van een volkstuinder had gekregen. ‘Leer het van buiten en versnipper het meteen,’ echode zijn woorden in mijn hoofd. Voor ons vertrek uit Utrecht had hij mij nog twee suikerbieten toegestopt en het laken afgewezen dat ik als betaalmiddel had meegebracht. ‘Bewaar die maar. Niemand weet hoe lang het nog gaat duren,’ had hij gezegd.
‘Dorpsstraat in Nijeveen, Dorps…straat,’ prevelde ik. Niemand zou ons daar kennen. Maar ik was nog lang niet bij de IJsselbrug in Zwolle. Buurtbewoners had ik horen fluisteren dat die brug zwaar werd bewaakt. Met mijn persoonsbewijs en Ausweis bij me, maakte ik me daar de minste zorgen over. Ik maakte me zorgen om het moment; dit moment waarop onze lichamen verder verzwakten en we nog zo veel kilometers voor de boeg hadden.
Twee vrouwen kwamen me voorovergebogen tegemoet lopen. Ze hadden hun kragen hoog opgetrokken en droegen lappen om hun voeten. Ik voelde me niet bevoorrecht met mijn schoenen, waar de gaten weliswaar in zaten. Zij hadden iets anders wat Hein en ik niet hadden: een handkar, gevuld. Ik voelde in de binnenzak van mijn mantel en stak het topje van mijn wijsvinger in het enige sieraad dat ik nog bezat. Het voelde als verraad aan Otto, maar ik had geen keus. ‘Mevrouw, alstublieft,’ riep ik, naar de vrouw die voorop liep. Tussen mijn duim en wijsvinger hield ik mijn trouwring voor haar gezicht en strompelde met haar op. De vrouw wendde haar gezicht af en trok haar kar in een stevige pas voort. De tweede vrouw passeerde mij, en als een slappe pop viel ik met Hein op mijn arm op de bevroren klinkerweg. Ik hield mijn trouwring boven mijn hoofd. ‘Alstublieft…, alstublieft!’ Ook zij liep door, zonder me een blik te gunnen. Ineengedoken, met Hein wiegend op mijn schoot, keek ik de vrouwen op de weg na. ‘God, waar zijn uw barmhartige Samaritanen? Waarom?’ Misschien hadden de ketters wel gelijk; en bestond er geen God.
Ik moest het op eigen kracht doen; op eigen kracht het platteland bereiken. De vrouwen uit mijn wijk hadden me met hun blikken vaak laten merken, nee; voelen, dat ik er niet bij hoorde. Ik had, met Otto van huis en met mijn amper vierentwintig jaar, hen om raad willen vragen. Misschien hadden ze me, net als de volkstuinder, wel aangeraden om de tocht alleen te maken. Maar Hein was alles wat ik had en ik was bang. Bang, dat Otto het niet zou begrijpen. Ik had hem moeten beloven goed voor zijn oogappel te zorgen en niemand te vertrouwen. Ik wist het niet meer. Zo moe.
De duisternis viel in en ik verloor alle hoop om vóór spertijd Nijeveen te bereiken. Ik had geen idee of ik überhaupt voor die tijd in Zwolle kon komen. Waar moesten Hein en ik dan slapen? Kon ik maar even leunen op Otto.
Hein kreunde en ik tilde hem weer over op mijn andere arm. Ik streelde over zijn wang, maar zijn kreunen hield aan. Ik begon het nummer te zingen van Bing Crosby, waarop Otto en ik zo vaak en zo graag hadden gedanst. Het was eigenlijk een slaapliedje en de titel was vreemd: Too-ra-loo-ra-loo-ral. Voor ons bestond er geen mooiere titel. Zacht zingend strompelde ik voorbij de zoveelste boom, ‘Too, ra–loooooo–ooo–o–ooo-o.’ Af en toe steunde ik met mijn hand even tegen een stam en vervolgde weer onze weg. ‘Too,lalalaaaaaa—aaa..’
Ik hoorde pianoklanken. ‘Piano, Hein. Hoor je? Kijk, en daar is papa!’ Otto wacht op mij, midden op de dansvloer. Hij wenkt me en lacht. Ik kijk om me heen. De mensen in galakleding, uitbundig lachend en dansend met een glas in hun hand, zijn er vanavond niet. We zijn alleen. Otto pakt mijn hand en draait me op mijn pumps rond en nog eens en nog eens. Hij draait me eindeloos in de rondte. ‘Tooooo–oo-ooo-o—o,’ zing ik, terwijl ik mijn mantel uittrek en Hein in zijn bedje leg. De melodie zakt weg en Otto streelt door mijn haren. Hij geeft me een kus op mijn voorhoofd en laat zijn hand uit mijn hand glijden, langzaam. Als zijn vingertoppen nog net de mijne raken, roep ik: ‘Otto, wacht!’

‘Hé! Hé!’
In de verte hoorde ik een stem en een vlakke hand tikte hard tegen mijn wang. ‘Otto? Wat…, wat doe je?’
‘Juffrouw, u moet opstaan.’
Langzaam opende ik mijn ogen en een ongeschoren gezicht hing pal boven mijn hoofd. Ras rees ik mijn bovenlichaam en in het donker kon ik nog steeds die verdomde bomen zien. ‘Hein!’ Wankelend kwam ik overeind en direct voelde ik weer de pijn aan mijn voeten. Zo hard als ik kon, liep ik slingerend langs de berm. ‘Hein! Hein!’
De man kwam me achterna en trok me aan mijn schouders achteruit. ‘Kom, het is bijna acht uur,’ zei hij, met een harde stem.
Het interesseerde me niet dat de spertijd bijna aanbrak. De Duitsers mochten me daarvoor arresteren, zolang Hein en ik maar samen waren. Deze man moest me helpen zoeken. ‘Mijn zoon! Hij is hier ergens!’
Onder zijn geborstelde wenkbrauwen keek hij me indringend aan en schudde zijn hoofd. ‘Juffrouw, u ijlt! Waar is uw jas?’ En hij trok me aan mijn arm richting zijn paard en wagen.
Geen idee waar ik de kracht vandaan haalde, maar ik slaagde erin me te ontworstelen uit zijn greep. Ik liep bij hem vandaan en in het donker doorzocht ik elke centimeter berm. Ik begon zwaar te ademen, terwijl ik me probeerde te herinneren bij welke boom ik voor Hein was gaan zingen. Opeens zag ik mijn mantel aan de kant van de weg liggen. Struikelend viel ik voor mijn jas neer en daaronder lag Hein; mijn Hein. Zijn lijfje was koud en ik gilde om hulp.

De houten wielen knarsten over de klinkerweg en het ritme van de hoefijzers versnelde. Ik hield Hein stevig tegen me aan en bleef over zijn ledematen wrijven. Ik moest alert blijven. En nooit, nooit mocht ik Hein en mijn mantel meer een moment uit het oog verliezen. Ik liet mijn hand over mijn mantel glijden en haalde opgelucht adem; helemaal niets was daaruit gevallen.
Boven het geluid van de hoefijzers uit, klonk het monotone geluid van de laag overvliegende bommenwerpers. Gewoonlijk joegen die tonen me de stuipen op het lijf, maar merkwaardig genoeg kende ik nu niet die angst. Terwijl de bomen voorbij flitsten, dacht ik maar aan één ding. ‘Zijn we er bijna?’
De man sloeg de teugels nog eens op en neer. ‘Vort,’ was het enige wat hij zei.
Ik had geen idee waar we heen gingen. Een stukje terug had ik een bewegwijzerbord gezien. De plaatsnamen had ik niet kunnen lezen door de verduisteringsmaatregel. Het maakte me nu niet uit of we verder van Zwolle raakten, als Hein maar weer snel op temperatuur kwam en een beetje eten kreeg.

We reden een erf op en vooraan op de oprit trok de boer hard aan de teugels. We stopten pal voor een schuur. Het paard brieste en de boer sprong van de wagen om het dier van het tuig te ontdoen.
Ik bedacht me geen moment en liet me met Hein van de kar glijden. ‘Eerst mijn kind!’ riep ik, terwijl ik hem aan zijn mouw trok. De boer humde en wees naar de schuifdeur. De deur kraakte en bij elk miniem geluid drong ik iets verder naar binnen. Het was er donker. Ik hoorde het strijkende geluid van een lucifer en achter mij gloeide de vlam van een petroleumlamp op. Achter in de schuur ontwaarde ik balen stro en in het midden stond een paardenbox, waar over de half openstaande deur een deken hing. Ik griste hem ervan af, wikkelde Hein er in en voorzichtig legde ik mijn zoon in het stro. Terwijl ik hem voorover gebukt onder de deken met strohalmen warm wreef, voelde ik de ogen van de boer in mijn rug prikken. ‘Heeft u misschien wat water en brood?’ vroeg ik, terwijl ik me half omdraaide en naar hem opkeek.
De boer zette zijn pet recht en zweeg. In het flauwe schijnsel zag ik de kilte in zijn ogen. Ze werden groot en keken dwars door me heen.
Zijn stilzwijgen voelde onbehaaglijk en zijn blik sprak boekdelen. Zag en dacht ik nog wel helder? Even schoot het door mijn hoofd dat de boer alleen maar onbeholpen was. Maar, toen hij zijn hand op mijn kruin liet rusten en zijn kruis tegen mijn schouder drukte, voelde ik zijn ware intentie. ‘Ik heb een gouden ring,’ probeerde ik.
Hij lachte sarcastisch en trok me aan mijn bovenarm uit het stro. Ik wilde hem stompen, van me afduwen, maar ik miste de kracht. In één beweging tilde hij me rechtop en omklemde mijn ribben totdat ik werd bevangen door ademnood. Zijn greep verslapte en met zijn vadsige lijf wreef hij steeds sneller langs mijn borsten. Hij hijgde in mijn oor en ik rook de muffe geur van vochtige klei en overrijpe uien, door zijn zure adem heen.
Ik sloot mijn ogen en vluchtte in een werkelijkheid die buiten mezelf stond. Maar, wat was het verschil? Deze hele rotoorlog was onwerkelijk! Ik keek over mijn schouder naar Hein, die rustig in het stro lag.
De boer humde. Weer die alles ontwijkende, maar zo veelzeggende hum. Met zijn klauwen trok hij mijn hoofd aan mijn haren naar achteren en draaide zijn kruis hard tegen mijn buik.
‘Doe me geen pijn,’ zei ik.
Hij drukte me van zich af en met zijn kin vooruitgestoken, knikte hij naar me. Zijn knik was even veelzeggend als zijn hum; het was een commando me te ontkleden. Ik knoopte mijn jurk langzaam open en legde het kledingstuk bovenop mijn jas; uit het zicht. Ik treuzelde bij mijn ondergoed en zijn hum veranderde in een kwaadaardige grom. Ik sloeg mijn armen voor mijn borsten en kruiste mijn ene been voor de andere. Hij greep naar mijn polsen en trok ze naar beneden. Ruw draaide hij me om en drukte zijn half ontblote onderlichaam tegen mijn billen. Ik kon alleen maar hopen dat het snel voorbij zou zijn. Ik was moe. Zo moe.
Zijn stoppelbaard schuurde over mijn schouderblad en ik rook weer die misselijkmakende geur. Mijn benen werden nog slapper en op mijn handen viel ik voorover op een baal stro. Ik voelde een pijnscheut in mijn onderbuik en in mijn hoofd werd het leeg, verstillend leeg. Totdat uit het niets weer langzaam die melodie opkwam. Ik deed moeite om de beelden van de dansvloer te verdringen. Ik voelde me meer verlaten dan ooit.

Door de kieren van de houten planken zag ik de eerste lichtstralen de schuur binnenvallen. Ondanks mijn vermoeidheid had ik bijna geen oog dichtgedaan. Ik had gewaakt over Hein, me gewassen met het water uit de trog en liggen peinzen. Kort nadat de boer de schuur had verlaten, had ik opnieuw de deur horen piepen. Met Hein wiegend in mijn armen had ik met opgetrokken knieën gewacht op wat er komen zou. De boer had zijn paard gestald en zonder een woord te zeggen, had hij bij de paardenbox melk en brood voor ons achtergelaten. Hein was daarna zienderogen opgeknapt, maar ik was blijven strijden tegen de wereld en mezelf. Ik had niet gevraagd om deze strijd, deze alles vernietigende oorlog. God, wat wilde ik blijven zwelgen in zelfmedelijden en antwoorden krijgen op mijn gemaakte keuzes en wie ik kon vertrouwen. Ik moest verder, verder door de vernederingen en angsten heen om te overleven.
Ik wikkelde Hein stevig in de deken en liep met hem op mijn arm naar de deur. Door de opening zag ik in het daglicht de boerderij liggen. Een vrouw stapte met een kleuter aan haar hand naar de kippenren. ‘Vrouw, zou je deze niet meenemen?’ hoorde ik een mannenstem roepen. Ik hield mijn adem in, toen ik hem naar buiten zag komen. Zorgzaam drukte hij een rieten mand in de hand van zijn echtgenote. Ik rook weer die zure geur en onderdrukte mijn misselijkheid bij het zien van die ongeschoren kop.
Het leek een eeuwigheid te duren, totdat het gezin weer naar binnen ging. Met bonkend hart wachtte ik nog even en verliet daarna met Hein de schuur, op weg naar Nijeveen.

De laaghangende mist over de kale bouwgronden en de berijpte takken, gaven het landschap iets macabers. Ook al oogde de wereld vandaag witter, voor mij was het nog grauwer dan gisteren. Ik klampte me vast aan het enige lichtpuntje: Hein en ik hadden weer een beetje vulling in onze magen. Ik moest me oriënteren, maar hoe lang liep ik hier al? Liep ik rondjes? Alle landwegen en bomen leken zo op elkaar. Langzaam bekroop mij het gevoel dat wij ver uit de richting waren.
Uit de nevel doemde een fietser op. Gebogen over zijn stuur, keek hij telkens over zijn schouder en bij elke aanzet op zijn trappers, zag ik zijn bovenlijf schokken en de mand aan zijn stuur wiebelen. Ik moest weten of we de juiste richting opgingen. Ik vouwde Heins handen om mijn nek en op het midden van de weg stak ik mijn arm in de lucht. De man was nu vlak voor me en hij keek nogmaals achterom. Ik stapte opzij, maar de fietser schampte mijn bovenarm. De fiets begon te slingeren, de man viel over zijn stuur en aardappelen rolden de berm in. Vertwijfeld volgde ik de aardappelen, maar een stemmetje gebood me de man te helpen. Ik boog me over hem heen en zag zijn bovenlip bloeden. Ik draaide me om en haalde aarzelend een zakdoek uit mijn beha. Margot stond er op geborduurd, in fel rode letters met sierlijke krullen. ‘Zodat je altijd aan mij zult denken!’ hoorde ik tante Helena weer zeggen en even voelde ik de rug van haar hand weer langs mijn gezicht. Tante Helena: mijn tweede moeder. Doodziek, maar ze zat vooraan in de kerk bij onze trouwdienst.
‘Gaat het?’
De man pakte mijn zakdoek aan en drukte hem tegen zijn mond. Met zijn andere hand greep hij naar de mand die naast het voorwiel lag. ‘Wat sta je daar? Vlug, mijn aardappelen.’
In allerijl raapte ik ze bijeen en toen ik de laatste aardappel boven zijn mand vasthield, keek ik hem langdurig aan. ‘Alstublieft,’ zei ik. ‘We zijn ver van huis.’
Hij schudde zijn hoofd en stak een vlakke hand naar me uit. Ik wist dat verder aandringen zinloos was en legde de aardappel terug in de mand. Hij zette zijn stuur recht en stapte daarna gehaast op zijn fiets. Zwaaiend met mijn zakdoek riep hij: ‘Voorbij de kruising rechts wemelt het van de SS’ers!’
SS’ers. Naast Hein en mijn mantel was er niets wat zij me nog konden afnemen. Geen eten, geen fiets, geen wandelwagen, geen zakdoek en zelfs niet mijn waardigheid, die was ik gisterenavond kwijtgeraakt. Of mijn trots die was achtergebleven in de afvalemmers waarin ik had gewroet op zoek naar wat eetbaars. Ik had de Nederlandse regering, die veilig in Londen zat, vervloekt om het afroepen van een nationale spoorwegstaking. Onze volksvertegenwoordigers! Ze hadden toch kunnen weten dat de Duitsers het frustreren van hun oorlogstransporten zouden vergelden. Er ging nu helemaal niets meer over het spoor! Geen Nederlandse burgers, geen voedsel, geen kolen, geen medicijnen. Gelijk dacht ik weer aan tante Helena. Verstoken van haar medicijnen, had ze nog maar tweeënhalve maand geleefd. Ik miste haar lach, haar bemoedigende woorden en haar optimisme waarop zelfs deze rotoorlog geen vat op leek te hebben gekregen. Met mijn vuisten had ik op mijn kussen geslagen en gevloekt. Aan een stuk door gevloekt, omdat men haar in de harde, bevroren grond niet kon begraven. Zelfs het laatste stukje eerbied van een kist werd haar niet gegund, omdat het hout werd gespaard voor brandstof. Mijn tweede moeder; ze lag tijdelijk opgebaard tussen tientallen anderen in de kelder van een kerk. Zijn huis, een massagraf. Geen barmhartige God, geen straffende God maar een God die zich had afgewend. Niets pijnlijker dan een apathische God. Had ik zijn naam te vaak misbruikt? Was ik verantwoordelijk, de volksvertegenwoordiging, de Duitsers, de joden, de zigeuners of de mensheid? Wanneer stopte deze waanzin?
Ik keek in de waterige ogen van Hein en ik wist het zeker: het ging alleen nog om ons.
Bij de eerstvolgende boerderij ging ik de weg vragen. Ik moest iemand vertrouwen, dat moest.

Een hond blafte en ik trok nog een keer aan de bel. Ik wachtte en wachtte. Schoorvoetend liep ik naar het keukenraam en tuurde naar binnen. Ik zag dampende kringen boven een pan op het fornuis, maar ik zag niemand. Zou ik om eten vragen? Al hadden ze maar iets voor Hein. Ik liep voorbij de melkbussen richting de deel.
‘Mevrouw. Mevrouw,’ klonk een gedempte stem achter mij.
Ik keek over mijn schouder. Vanachter een boom kwam een jongeman op klompen tevoorschijn. Hij was lang, ergens achter in de twintig en droeg een bril met ronde glazen.
‘Bent u met z’n tweeën?’
Ik knikte. ‘Weet u de weg naar Nijeveen, de kortste route?’
‘Nijeveen?’ Het krabde op zijn achterhoofd. ‘Dat is een eind uit de richting.’
Ik meende een zwaar Noord-Hollands accent te horen. Ik herkende het van mijn korte bezoeken aan mijn ouders, toen ze vlot na elkaar in het sanatorium in Wijk aan Zee werden verpleegd. Ik wimpelde die herinneringen weg en concentreerde me op waarvoor ik hier stond. ‘Hoe ver?’
‘Je bent in Twello!’
‘Twello?’
‘Ja. Deventer, de Veluwe, het oosten…’
Zijn glimlach verried dat hij begreep dat hij het net zo goed aan Hein had kunnen uitleggen. Even voelde ik me weer dat meisje dat vertikte achter haar schoolboeken te gaan zitten en in plaats daarvan heimelijk achter de piano ging zitten. Ik liet dan mijn handen boven de toetsen zweven en ik bewoog mijn bovenlijf ritmisch mee op de akkoorden die lispelend over mijn lippen rolden. Als mama de salon met thee en biscuits betrad, vloog ik naar de open geslagen boeken op mijn secretaire. Gespeeld onopmerkzaam kwam ze dan binnen. ‘Thee, Bloem. Tijd voor thee én koekjes!’ Bloem. Ik was haar bloem. Als kind vond ik dat vreselijk; ik was Margot. Nu miste ik die onbezorgde tijd. ‘Bloem…, je bent in Twello,’ prevelde ik.
‘Kom toch binnen. De kachel brandt.’
De honger en kou wonnen het van mijn angst. ‘Gaat u maar voor.’

In het achterhuis trok de jongeman zijn klompen uit en keek hoofdschuddend naar mijn schoenen. ‘Hoe lang loop je daar al op?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik kom uit Utrecht.’
‘Peter! Peter, ben je daar?’ Een voluptueuze vrouw van tegen de veertig en met een wit, gehaakt mutsje op haar hoofd, verscheen in de opening van de tussendeur. ‘Heremijntijd, wie hebben we hier?’
‘Dit zijn…’ Peter wees naar me met een vragende blik.
‘Eh…, Margot. En dit is mijn zoon. Hein.’
‘En verder?’ vroeg Peter.
‘Verder?’
‘Ja, je achternaam.’
De vrouw tikte op Peters schouder. ‘Hoe minder we weten, hoe beter. Dat moet jij toch weten?’
Ik haalde opgelucht adem.
‘Sorry, Peter kan nogal nieuwsgierig zijn.’ Ze glimlachte. ‘Kind, wat lijk jij sprekend op mijn jongste zusje. Kijk dan, Peet. Die spitse neus en blonde krullen.’
‘Je zus heeft niet van die helblauwe ogen,’ zei Peter. ‘Maar blijven we hier staan?’

In de keuken warmde ik mijn handen boven de potkachel en nam daarna met Hein plaats aan de keukentafel. De keuken kende niet de luxe die ik tot voor kort gewend was geweest. Maar de tierelantijntjes op de rand van de lambrisering, de bordeauxrode houten vloer en de geblokte gordijnen onder het aanrecht, straalden gemoedelijkheid uit. Ik had niet gerekend op zo’n hartelijk ontvangst, dat haaks stond op hoe ik de laatste jaren in Utrecht was bejegend.
‘Wil je een vel op je melk?’
Een rilling liep over mijn rug. ‘Liever niet.’
‘Lieve koekjes worden hier niet gebakken. Een vel of niet?’
‘Geen vel, mevrouw, alstublieft.’
‘Alsjeblieft, dat mag ook. En ik ben gewoon Dientje, dat zeggen ze allemaal hier in dit dorp.’
Peter schoof zijn stoel dichterbij. ‘Ik heb ook een zoontje.’ Hij aaide Hein over zijn bol en zijn gezicht vertrok.
‘Kijk, Hein.’ Ik ging met hem voor het raam staan en wees naar de vlokken, die zich verenigden tot de eerste sneeuwlaag van 1945. Het oogde sereen, maar straks moest ik op mijn dunne zolen over gladde wegen naar Drenthe. Hoe dan ook: ik moest naar Nijeveen, voordat het te laat was. Onopvallend streek ik mijn hand langs de onderkant van mijn mantel die over de stoel naast de kachel hing. De bobbel in de voering voelde ik gelukkig nog steeds.
‘Door dit weer kunnen jullie niet op pad,’ zei Dientje, leunend op haar handen in de vensterbank.
‘Over een uur zal het wel stoppen met sneeuwen, dan gaan we weer verder.’
Dientje liep hoofdschuddend naar het fornuis. ‘Over een uur? Nee hoor, niet eerder dan morgen.’
Ik ging weer zitten. ‘Over een uur,’ mompelde ik.
Peter kneep Hein zacht in zijn wang en stak zijn armen uit. ‘Mag ik?’
‘Toe maar, hij is in vertrouwde handen bij Peter,’ zei Dientje.
Peter was blijkbaar een kindervriend, want mijn eenkennige Hein stribbelde niet tegen. ‘Is hij al een jaar?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Volgende maand.’
‘Mijn zoon was net zo oud toen ik van huis ging. Hij is nu bijna twee.’
Ik glimlachte flauw naar Peter.
Dientje wreef over Peters schouder en ze straalde bij de aanblik van de twee. ‘Was je maar weer thuis, hé?’
‘Thuis?’ vroeg ik.
‘Thuis is IJmuiden. Ik duik hier onder om te ontkomen aan de arbeidsinzet. Het is niet dat ik een hekel heb aan werken. Integendeel. Maar niet voor die rotmoffen!’
‘Peter, hou je in,’ corrigeerde Dientje.
‘Het is goed, Dien. Margot is goed volk, dat zie ik.’
Dientje kwam naast mij staan en keek me indringend aan. ‘Dat denk ik ook, ja,’ zei ze, terwijl ze zich weer naar Peter omdraaide. ‘Geef dat lekker ventje eens hier.’ Ze pakte Hein van Peters schoot en zwierde met hem door de keuken. ‘Kijk toch eens wat een mooie, blonde krullen. Zo’n heerlijk Hollands koppie.’ Ze hield hem onder zijn oksels boven haar hoofd en keek opzij, naar mij. ‘Mijn jongen zit in Duitsland, samen met mijn man. Zij konden niet ontkomen aan die moffen. Ik hoop dat de Engelse en Amerikaanse jongens dat tuig snel naar de andere kant van de Rijn schoppen. Terug naar hun Heimat, om ze daarna nooit meer te zien.’
Ik besefte nu waarom de voordeur niet open werd gedaan en waarom Peter zich schuil had gehouden achter de boom. De oorlog raakte ons allemaal en allemaal hadden we ons eigen verhaal. Maar mijn verhaal was hier niet welkom.
‘Je lust vast wel een gebakken eitje,’ zei Dientje en gaf Hein terug aan Peter.
Ik knikte gretig en keek naar Peter en Hein. Het voelde vertrouwd even de zorg uit handen te mogen geven. Ik wilde dit huiselijke plaatje van Peter met Hein op zijn schoot voor de brandende potkachel vasthouden. Ik stelde me voor dat Otto daar zat. Mijn gezin, niet langer uiteengerukt door de oorlog. De illusie verdronk terstond in de pijnlijke tegenstelling. ‘Geef Hein maar weer aan mij,’ zei ik met een hese stem.
‘Nog heel even, Margot.’ Hij lachte naar Hein, maakte hobbelende bewegingen met zijn hand en bracht met locomotiefgeluiden een stukje brood naar Heins mond.
“When we will meet again,” neuriede Dien achter het fornuis en maakte met zwaaiende armen een pirouette. Haar hand raakte de zoutpot en kantelde van het aanrecht. In een reflex ving Peter hem op en Heins stukje brood viel uit zijn hand. Hein boog zich voorover om het met zijn vingertjes te pakken. Zijn hoofdje kwam gevaarlijk dicht bij het vensterglas van de kachel.
‘Heinrich, vorsicht!’ riep ik.
Stilte. Een windvlaag gierde langs de ramen en liet de luiken rammelen. Blikken versteenden en ik voelde hoe mijn hartslag zichtbaar moest zijn in mijn kloppende hals.
‘Jij…vuile…moffenhoer!’ riep Peter. ‘Of ben je d’r één? Dien, pak haar jas!’
Dientje greep mijn jas van de stoel en gooide hem als een vod naar Peter.
‘Mijn jas! Ik wil mijn jas!’
Vluchtig doorzocht Peter mijn zakken. Hij hield mijn trouwring omhoog en kneep zijn linkeroog dicht. ‘Otto, 19-06-1941. En, wat hebben we nog meer,’ zei hij, terwijl hij de andere steekzak doorzocht. Hij gooide mijn persoonsbewijs op de keukentafel en las het theatraal voor. ‘Margarita Jantina von Manschhäuser-Van der Bunnik. Zie je wel, ze is getrouwd met een mof!’
Ik greep naar mijn mantel.
‘Jij gaat nergens heen!’ riep Peter, terwijl hij mijn mantel krampachtig vasthield. ‘Zitten, trut!’
Dientje frunnikte aan haar schort. ‘Jij gaat ons verraden, hé?’
‘Ik ben geen verraadster!’
Dientje ging voor me staan en boog haar hoofd pal voor mijn gezicht. ‘Wat ben je dan wel?’
Vijf lange jaren had ik tegen de massa gezwegen en geslikt. Ik had zo veel behoefte om begrepen te worden. ‘Mijn Otto is een goed mens en ik houd van hem. Ja, hij is een Duitser. Maar dat maakt me geen verraadster.’
‘Doe verdomme niet zo naïef!’ riep Peter. Hij zette zijn bril af en hield hem op armlengte van zich af. ‘Weet je wat ik allemaal door deze glazen heb gezien? Ik heb vrachtwagens met gierende banden voor huizen zien stoppen, waarin even later joodse gezinnen als vee in de laadbak werden gedreven. Ik heb midden op straat mannen met hun handen omhoog geëxecuteerd zien worden. Ik heb… ik heb zoveel gezien.‘ Peter slikte. “En denk jij—’
‘Ja! Ja! Ik weet het!’ riep ik, terwijl ik mijn handen tegen mijn oren drukte.
‘Dus, je weet het wel maar je sluit je er voor af?’
‘Doen we dat niet allemaal?’
‘Hoe durf je in mijn huis!’ riep Dientje. ‘Heb je enig idee wat de oorlog ons allemaal aandoet?’
‘Ja, ons allemaal! Weet u hoe het voor mij is zonder mijn man, zonder ouders, zonder mijn tante die me als tiener heeft grootgebracht, zonder eten of buurtbewoners die spugen op de grond waarop je loopt?’ Ik ademde diep en keek hen beide aan. ‘Kijk naar ons!’ Ik pakte Hein en drukte hem stevig tegen mij aan. ‘Zien wij er zorgeloos uit? Vertel mij niets over de oorlog en pure ellende. Hier is voldoende eten en hout dat de kachel brandende houdt. Jullie hebben een reële kans. Ik heb alleen de flinterdunne hoop dat de wereld zal leren te accepteren dat niet iedere Duitser verantwoordelijk kan worden gehouden.’
‘Had je maar niet met een Duitser moeten gaan!’ riep Dientje.
‘Precies,’ viel Peter haar bij. ‘Je weet de zaken mooi te draaien! Je praat zeker ook goed dat onze mannen zich moeten melden en gedwongen worden om voor die, die.. Duitsers te werken!’
Ik legde mijn hand op mijn maag. ‘Mijn man moest zich ook melden. Ook hij had geen keus.’
Peter liep rood aan en hij balde zijn vuisten. Ik voelde me in het nauw gedreven. Maar, dit was niets vergeleken bij mijn angst in de schuur. Peter sloeg zijn vuisten op de tafel en spetters melk sprongen uit mijn beker. ‘Ga me verdomme niet vertellen dat de Duitsers de slachtoffers zijn! Ze zijn minder dan…, minder dan….’
Dientje legde een hand op Peters schouder. ‘Laat maar. Mevrouw denkt dat ze beter is. Je hebt gelijk, Peet. Ze is minder, minder dan ons.’
Otto had gelijk; ik kon niemand vertrouwen. Maar had ik een keus? Ik rechtte mijn rug en keek Peter recht in zijn ogen. ‘Ben ik minder dan een Nederlandse boer die zich aan de hongeren verrijkt of zich aan hulpbehoevende vrouwen vergrijpt? Of ben ik minder dan andere Nederlandse vrouwen, Dientje?’
Dientje keek van mij weg.
‘Vrouwen, Dientje! Moeders die geen mededogen meer kennen voor een andere moeder. Ik houd van Otto, de vader van mijn kind. Ja! Ik houd van een Duitser.’
Peter pakte mijn mantel en drukte hem tegen me aan. ‘Het is beter dat jij en Hein nu gaan.’

Met het openen van de buitendeur waaiden sneeuwvlokken het achterhuis binnen. Peter trok zijn kraag omhoog en knikte gebiedend met zijn hoofd. ‘Nou, schiet op. Alle warmte gaat eruit.’
Ik stapte over de drempel en bleef even voor Peter staan. Hein strekte zijn arm en raakte met zijn wijsvinger Peters wang aan. Hij brabbelde iets wat ik hem nog niet eerder had horen zeggen. Het klonk als papa. Impulsief antwoordde ik: ‘Nee, dat is papa niet. Dat is Peter. Zeg maar dag, Peter.’ Ik zag Peters ogen vochtig worden. Hij vermande zich, ontweek mijn blik en sloot zijn ogen. Een moment hield hij zijn hand ter hoogte van zijn wang waar Hein hem zojuist had aangeraakt. Peter deed een stap naar achteren en pakte een sjaal van de kapstok. ‘Hier, voor de kleine,’ zei hij en beet op zijn lip.
‘Dank je wel. Het gaat jullie goed.’
‘En blijf uit de wind.’

Zo ver als ik kon kijken, was het wit. Zelfs het houten bordje bij het hek met de grijs gekalkte letters: Hier waak ik, was nu toegedekt met een wit dekentje. Een moment keek ik achterom naar de boerderij en sloot toen het hek. Ik kneep in de onderkant van de voering van mijn mantel en zuchtte.
In de afgelopen maanden had ik mijn huisraad geruild voor wat eten en de restanten voor te weinig guldens van de hand gedaan. De avond voor ons vertrek naar Nijeveen had ik mijn verzameld kapitaal in de voering van mijn jas genaaid, samen met een foto. Zijn foto. ‘Dat kost je tweeduizend gulden, maar het resultaat is werkelijk niet van echt te onderscheiden,’ hoorde ik de volkstuinder weer zeggen. Tweeduizend gulden. Ik kneep nog iets harder in de voering en voelde de stapel bankbiljetten in de enveloppen zitten. Dorpsstraat, Dorps–straat 199, mompelde ik, om me ervan te vergewissen dat ik het adres had onthouden. Ik verlangde naar het weerzien met Otto. Ik wist zeker, zo doortastend en kordaat als hij kon zijn, dat hij inmiddels in burger of in uniform veilig de Nederlandse grens had bereikt.
‘Papa wacht op ons,’ zei ik, terwijl ik Hein op zijn muts kuste. ‘Hij hoeft nooit meer van huis.’ Met herwonnen moed zette ik de volgende stappen in de richting waar het Nederlands persoonsbewijs voor Otto klaar lag: onze toekomst in Drenthe.
Steeds meer vlokken uit donkere wolken daalden op ons neer. We waren omsingeld door de kleur van onschuld en het venijn van de koude wind sneed dieper en dieper in onze huid. Ik drukte Hein dicht tegen mij aan. ‘Zullen we samen bidden, Hein? Ja, laten we dat doen. Luister maar goed naar mama.’

Lieve Heer in de hemel, bent u daar? Ik wil in u geloven, ik geloof in u, ondanks alles. U bent bij ons, ik weet het zeker. Vergeef mij mijn twijfels, ze geven mijn wanhoop weer. Ik wil geen wanhoop meer kennen. Geef ons de kracht deze reis te volbrengen. Ik smeek U, vervul ons weer met Uw liefde.’

Ik bleef even staan en keek omhoog. ‘God? Hier zijn wij, hier…’ Ik drukte mijn wang tegen het koude gezichtje van Hein. ‘Hij heeft ons gehoord, lieverd. Hij houdt heel veel van jou. Zo ontzettend veel.’
De vlokken prikten nu als bevroren doornen in onze gezichten. Hein huilde zachtjes en de wind huilde hard met hem mee. ‘Stil maar, mama brengt je naar papa.’ Ik boog me verder over Hein heen en op mijn dunne zolen schuifelde ik verder. Ik moest gewoon rechtdoor blijven lopen. Rechtdoor. De oneindige rij bomen ging rechtdoor. De bomen zouden mij de weg wijzen. De windkracht nam verder toe en sneeuwvlokken geselden ons nu, maar ik voelde de kou niet meer en Hein… Hein huilde niet meer. We werden sterker. Wat had Peter nu gezegd? Was het nu tachtig kilometer of meer of toch minder? Ik had hem het toch wel gevraagd? Hoeveel bomen telde een kilometer? Waarom had ik hem dát niet gevraagd? Maar de bomen waren weg. We stonden naast een oneindige rij met mensen, die net als ons onderweg waren naar de toekomst. Ze stonden stil en met hun lange, witte armen zwaaiden ze naar ons. Stonden wij ook stil? ‘Meneer, meneer, waar gaat u naar toe?’ Geen antwoord. Ik wilde me aan hem vastklampen, maar hij was zo groot en zijn been was zo breed en lang. Mijn benen, waar waren mijn benen? Liepen we nog wel? De sneeuw moest al tot mijn middel zijn gekomen. ‘Hein? Hein! Kijk eens naar mama, doe je oogjes open lieverd, de wereld is zo mooi wit en het is niet meer koud. Liefje, mama is bij je, en hoor! Hoor je die pianoklanken? Zo mooi. Ik hou van jou. Het is niet meer donker, Hein. Niet meer aardedonker.’

‘God! Bent u daar?’
‘Ik ben het, Margot. Ik ben het, mama.’
Ik glimlach. ‘Ja! En papa! Jullie hebben mij gevonden!’
‘Nee, lieverd. Jij hebt ons gevonden. Kijk!’
Ik staar in het sneeuwwit dat intenser van kleur wordt. Verblindend. ‘Hein heeft het koud, mama.’
‘Kom, Bloem. Ga met ons mee. Hij wacht op je.’
‘Hij? Heeft hij ons gebed gehoord. Heeft hij ons toch gevonden?’
‘Hij is nooit bij je weg geweest, Bloem. Voel je zijn warmte?’
‘Otto?’
‘Komm, mein Liebchen. Tanz mit mir!’
‘Dansen? Ja!’
Too-ra-loo-ra-loo-ral.