Doodeng

Ik word wakker met een vieze smaak in mijn mond. Het lijkt of er iemand bezig is mijn schedel aan de binnenzijde te beitelen en mijn ogen naar buiten te drukken. Ik lig op mijn rug, op een harde ondergrond. Ik wil overeind komen, maar er drukt iets op mijn ribbenkast, net onder mijn borsten. Het ding voelt koud aan, als een metalen buis. Het is volstrekt donker en doodstil. Waar ben ik in godsnaam? Droom ik? Ben ik in de kast onder de trap en heeft mijn moeder me opgesloten, zoals altijd als ik niet wilde luisteren? Het was er aardedonker en het rook er altijd bedompt. Altijd. Even bedompt als nu. Ik mag niet gillen. De angst knijpt mijn keel toe. Ik krijg geen lucht. Niet de kast. O, God, alstublieft niet. Niet in de kast! Niet gillen! Ik voel me duizelig worden.
Ik concentreer me op mijn ademhaling zoals ik bij mijn psychotherapie heb geleerd. In …, en weer uit. In … uit … In … uit … Langzaam ebt mijn paniek weg.
Mijn armen liggen langs mijn lichaam en ik kan ze, met enige moeite, bewegen. Eenzelfde soort buis drukt op mijn benen, vlak boven mijn knieën. De schrik slaat me om het hart. Ben ik dood? Ik kan mijn onderbenen heen en weer bewegen, maar mijn knieën niet optrekken. Ik ben dus niet dood. Waar ben ik?
Ik realiseer me dat ik nooit in die vervloekte kast lág – ik kón er ook niet liggen. Ik zát altijd, rechtop. Voorzichtig tast ik in het rond. Ik voel textiel links en rechts, glad als zijde. Ik beweeg mijn handen naar mijn buik. Ik heb geen slipje aan en als ik mijn handen naar boven beweeg voel ik dat ook mijn borsten bloot zijn. Ik ben naakt! Toch heb ik het niet koud. Ik probeer mijn handen naar boven te bewegen en voordat ik mijn onderarmen helemaal verticaal heb kunnen doen, stoot ik tegen iets aan. Het klinkt als hout, maar ook nu voel ik dat gladde, zachte textiel. Waar ben ik? Waarom? Hoe ben ik hier gekomen? De gedachten razen als een mallemolen door mijn hoofd. Ik word er stapelgek van.
Weer dwing ik mijn ademhaling in een rustig ritme. In …, en weer uit. In … uit … Ik beweeg mijn handen naar de zijkanten en voel ook daar iets hards. Met mijn knokkels tik ik ertegen aan, eerst voorzichtig, dan harder. Hout. Ik twijfel geen moment. Het besef waar ik me bevind, raakt me als de trap van een paard. Ik hoef me niet naar voren en naar achteren te bewegen ─ als ik dat al zou kunnen ─ om bevestigd te krijgen dat ik tussen zes planken lig. Ben ik toch dood? Of erger nog: ben ik levend begraven? Niet gillen! Ik hap naar adem als de paniek alle lucht uit me zuigt.

Ik heb geen idee hoelang – een minuut? een uur? –, maar ik moet even weggeraakt zijn. Een serene kalmte is over me heen gekomen. Zo voelt het dus om dood te zijn. Ik zweef terug naar mijn aardse bestaan, naar mijn laatste herinnering. Ik was met Richard een avondje uit. De lieverd had alles geregeld, ondanks dat hij zo druk was op zijn werk. Dinertje bij kaarslicht. Een man die speciaal voor ons saxofoon speelde. Een bos rode rozen op tafel. Richard had zelfs een arrangement in een beauty farm in Polen voor me geboekt. Het was perfect. Ik voelde op slag weer vlinders in mijn buik. In al die zesentwintig jaar was Richard nog nooit zo romantisch geweest. Al die avonden dat hij er niet was, waren in één keer vergeten. “Als compensatie voor je geduld,” zei hij. We dronken een fles wijn leeg. Of waren het er twee? Ik pieker me suf, maar kan het me niet herinneren. In ieder geval lieten we de auto staan en namen we een taxi. Voor het eerst sinds lange tijd had ik weer zin om me aan hem te geven, hem in me te voelen. Ik kroop tegen Richard aan en dat is het laatste wat ik me herinner.

Plotseling hoor ik een geluid. Het lijkt op een deur die opengaat. Lig ik dan niet onder de grond? Of ben ik toch dood en hebben ze daar deuren?
‘Het duurt nog wel even voor ze wakker wordt.’ De stem klinkt gedempt. Het is een vrouwenstem die me vaag bekend voorkomt. Ik wil om hulp schreeuwen, maar dan realiseer ik me wat ze zei. ‘Waar zit de lichtknop?’
Ik hoor wat gemompel, maar kan het niet verstaan.
‘Om drie uur ‘s nachts kijkt er echt niemand uit het raam, maar goed, laat het dan maar uit.’
‘Moeten we het wel doorzetten?’ zegt een mannelijke stem. Wat? Wat doet Richard hier? Wat bedoelt hij? Ik houd mijn adem in. Waarom helpt hij mij niet?
‘Ze moet dood. Dood, hoor je me?’
Dood? Wie is dat? Wat heb ik haar misdaan? Ik krijg een wee gevoel in mijn maag. Wie het ook is, ze haat me. Zoveel snap ik nu wel.
‘Luister, Elsemieke …’
De rest hoor ik niet. Elsemieke? De enige Elsemieke die ik ken is de beste vriendin van mijn jongste dochter. Een kittig ding. Totaal anders dan Linda. In het begin had ik moeite met haar. Linda is serieus, Elsemieke een flierefluiter. Volgens Linda deed ze het met iedereen. Ik was bang dat ze Linda mee zou zuigen en dat er van haar studieplannen niets terecht zou komen. Maar later veranderde ik van mening. Mijn dochter bloeide op en ging vaker uit. Ze schudde haar verlegen manier van doen van zich af.
Oké, ik weet nu wie bij de stem hoort. Maar wat doet zij hier? En Richard? Wat is er aan de hand, verdomme? Wat wil ze?
Ik hoor voetstappen naar me toekomen, geklak van hakken op een betonnen vloer. ‘Ze moet dood!’ Ze slaat bij “dood” hard op de kist. ‘Dood! Dood!’ Ik krimp ineen bij iedere dreun. Ik slik. Mijn hart bonst in mijn keel. Waar komt die razernij vandaan? Ik moet haar op haar ziel getrapt hebben. Ik graaf als een uitzinnige in mijn geheugen. Ik kom niet verder dan dat ik één keer woest op haar ben geweest. Dat was toen ze met Linda naar de dancing was geweest en om vier uur kwamen ze aangeschoten aankakken. Zestien jaar, en dan om vier uur ‘s morgens pas thuiskomen! Ik was furieus geweest. Er had wel ik weet niet wat kunnen gebeuren. Maar … dat van die disco is nu – hoelang alweer? – bijna zes jaar geleden. Ze moet haatdragend zijn.
‘Ze staat tussen ons in, Richard. Ze moet weg.’
De realiteit raakt me als de slag van een slopershamer. Ik besef dat ze hem niet “meneer Halsema”, maar “Richard” heeft genoemd. O, mijn God. Mijn ademhaling stokt in mijn keel. Richard en Elsemieke? Wat moet ze met hem? Hij is bijna vijftig, en ziet er weliswaar strak uit, maar zo’n meid hoort een vent van haar eigen leeftijd te hebben.
‘Er is een andere manier. Ik ga bij haar weg.’
Ik houd mijn adem in. Ik voel even een steek in mijn borststreek. Dan adem ik uit. Natuurlijk. Richard probeert haar te kalmeren. Hij probeert haar van haar plan af te brengen.
‘Dat zeg je al een jaar. Ik geloof je niet meer.’
Ik voel me beurtelings warm en koud worden. Ik vergeet te ademen. Wat zei ze? “Dat zeg je al een jaar.” Hoe? Wat? Dan besef ik wat een idioot ik ben. Ben ik zo blind geweest?
‘Moeten we het daar nou weer over hebben? Het ligt niet zo eenvoudig.’
O, mijn God. Richard belazert me al een jaar. De hufter! Al die lange werkdagen van hem. Hij raakt me al tijden niet meer aan en zegt steeds dat hij moe is, terwijl hij voorheen … O, hoe heb ik dat niet kunnen zien? Hij had natuurlijk zijn kruit al bij Elsekrikkie verschoten. Ik bal mijn vuisten.
‘Laat me niet lachen,’ zegt Elsemieke. ‘Je hebt zelf gezegd dat je op ‘r bent uitgekeken. Dat je iedere keer moet horen dat jullie zonder het geld van haar ouders het huis niet hadden kunnen kopen.’
‘Ja, maar—’
‘Stil! We hebben het er toch over gehad dat je die vernederingen niet langer wil?
‘Ja, maar—’
‘Weet je wel dat Linda als klein kind door die vrouw van je werd opgesloten in de kelder. Om haar discipline bij te brengen. Jezus!’
‘Wat?!’
‘Dat heeft ze me verteld.’
De rest hoor ik niet. Ik hoor Richard wat zeggen, maar ik kan hem niet verstaan.
‘Lul toch niet!’ zegt Elsemieke. ‘Hoe vaak heb ik niet moeten aanhoren dat je niks bij ‘r mag. Dat ze een lelijke koe is met een dikke reet. Je zegt al een jaar dat ik je weer jong doe voelen. Dat je bij mij wel je seksuele fantasieën kunt uitleven.’
Ik klem mijn kaken op elkaar om het niet uit te schreeuwen. De perverseling! Al járen zeurt hij om me vast te binden en te blinddoeken. Ik gruw als ik er weer aan denk wat voor ziekelijke spelletjes hij in gedachten had.
‘Natuurlijk voel ik me jong bij jou. Welke gezonde vent zou jou kunnen weerstaan? Als ik je zo zie in je spijkerbroek en die heerlijke tieten …’
‘Ik hoop dat je niet te veel van dat poeder in haar wijn hebt gedaan.’ Elsemieke lacht als een kakelende kip.
Mijn borstkas gaat als een malloot op en neer. Ik luister naar iedere ademstoot, terwijl ik probeer te bevatten wat ik zojuist heb gehoord. Richard heeft me gedrogeerd? Het lukt me niet mijn gedachten op een rij te krijgen. Rustig blijven. Denk na … Nu.
‘Wat lach je?’
‘Dood is niet zo leuk als levend. Er zitten een paar luchtgaten in. Kunnen de wormen er makkelijker bij.’ Ze schatert het uit als een krankzinnige. ‘Met haar enge dromen en zonder kleren … Ze zal zich bevuilen als een incontinente peuter. Net goed. Jammer dat we dat niet meer kunnen zien.’ Ze barst weer in een schaterlach uit. ‘Kom, we gaan.’
Ik ruik de urinelucht opeens scherp. Een gevoel van misselijkheid overspoelt me. Ik heb het nooit aan iemand verteld. Nooit. Hoe zou ik ook kunnen? Een volwassen vrouw bang voor kleine ruimtes, als een bibberend klein kind. Alleen weet mijn therapeut het natuurlijk. Alleen hij weet hoe mammie mij wekelijks in die kast stopte. Hoe ze mijn hand in een gasvlam had gehouden, toen ik niet geluisterd had en toch had gegild. Mijn ademhaling gaat als een idioot tekeer.
‘Heb je het hek geolied?’ vraagt Richard. ‘Die man die d’r naast woont slaapt erg licht.’
‘Ja. Heb jij ‘r geboekt?’
‘Ja. Vorige week al. Beauty farm in de buurt van Katowice. Ze gaat met de auto.’
Mijn handen trillen.
‘Oké. We moeten opschieten. We hebben nog veel te doen.’
Ik voel dat de kist wordt opgetild en wordt verplaatst. Ze zeggen niets meer. Ik hoor hun geschuifel en schud van links naar rechts heen en weer. Het is een bizarre gewaarwording, zo in het pikkedonker. Niet veel later voel ik dat de kist ergens op wordt geschoven en hoor ik iets gedempt dichtslaan. Iets, dat me aan een autoportier doet denken. Een motor slaat aan, althans daar lijkt het op. Ik voel dat ik in beweging kom en het gehots en getril doet inderdaad vermoeden dat ik achter in een auto lig. Waar gaan ze me naartoe brengen? Ik adem weer bewust. In … uit … In … uit … Ik hoor ze praten, maar kan het niet verstaan.
Na een rit die eindeloos lijkt te duren, stoppen we. Een portier gaat open en een paar ademstoten later hoor ik het portier dichtslaan en rijden we langzaam door.
Dan stopt de auto weer. De achterklep van de auto gaat open. Ik span mij in om te horen wat er gebeurt. Tot mijn verbazing wordt er niet aan mijn kist getrokken. Wel komt er iets tegen mijn kist aan; een schrapend geluid van metaal.
‘Schiet nou maar op. Ga spitten!’
Mijn verwachting wordt waarheid: ik zal levend worden begraven! Ik stop mijn vingers in mijn mond om het niet uit te gillen. Nee, ik mag niet schreeuwen! In, uit, in, uit …
Na wat een eeuwigheid leek te duren, wordt er aan mijn kist getrokken. Ik word opgetild en op de grond gezet.
‘Heb jij de touwen?’ hoor ik Richard vragen.
‘Komt ie.’ Er valt iets op de kist dat een roffelend geluid maakt.
Even later voel ik dat ik weer word opgetild. Mijn hart bonst in mijn keel. Dan voel ik dat ik weer naar beneden ga, in een langzame, schokkende beweging. Ik laat mijn urine lopen.
De zijkant van de kist stoot tegen iets aan. ‘Kijk nou uit, idioot!’ hoor ik Elsemieke vanuit de verte roepen.
Plotsklaps roepen verscheidene stemmen door elkaar. Ik hoor iets als “geen beweging!” Dan kom ik in een vrije val en voel een vlammende pijn in mijn achterhoofd. Ik verlies het bewustzijn.

Iemand slaat met een moker aan de binnenzijde van mijn schedel. Ik kreun zachtjes. Ik hoor piepjes, in een regelmatig ritme.
‘Volgens mij is ze wakker.’
Langzaam open ik mijn ogen. Ik lig in een vreemd bed naast een hoog raam. De lakens ruiken fris. Waar ben ik? Een man in een verfomfaaide lange jas komt naar mijn bed gelopen. Hij heeft het lelijkste gezicht dat ik ooit in mijn leven heb gezien. Het is ongeschoren, heeft een ontstoken mee-eter op zijn neus en zijn haren lijken op een wc-borstel na tientallen jaren trouwe dienst. Het grijnst. Dan snap ik het: ik ben in de hel, en dit is de duivel.
‘Welkom terug, Jolanda Halsema,’ zegt hij. Merkwaardig genoeg heeft zijn stem een warm timbre. De man zit op een stoel naast mijn bed.
Er hangt een infuus aan een standaard naast mijn bed. ‘Wat? Hoe? Waar ben ik?’ Mijn tong lijkt een eigen wil te hebben: mijn stem klinkt alsof hij van iemand anders is.
‘Ik ben inspecteur Feenstra. Tjebbe Feenstra. U bent in het Sint-Jozef Ziekenhuis.’
Ik doe mijn ogen dicht en tracht het gebonk in mijn hoofd te negeren. ‘Waar ben ik? Wat is er gebeurd?’
De man met de warme stem legt zijn hand op mijn onderarm. Zijn hand voelt behaaglijk en geruststellend aan. ‘U hebt geluk gehad. U stond op het punt levend begraven te worden.’
De herinneringen komen terug en ik begin te trillen als de vleugels van een waterjuffer. De tranen biggelen over mijn wangen.
Feenstra knijpt in mijn arm. ‘Als we daar niet gepost hadden, hadden we u nooit meer gevonden.’ Ik focus me op mijn ademhaling. In … uit … In … uit … Ik kijk hem onderzoekend aan. ‘Er was een gat gegraven voor een begrafenis die de volgende dag zou gebeuren. Gisteren dus. Uw man en zijn vriendin hadden het gat een halve meter dieper gemaakt en waren net bezig u daarin te laten zakken.’
Ik kijk hem aan alsof hij me net heeft verteld dat zijn auto op slootwater rijdt.
‘Als de kist van de overledene erin zou zijn gelaten en het graf zou zijn gesloten …’
Mijn onderlip trilt. ‘Hoe wist u van hun plannen?’
Feenstra schudt zijn hoofd. ‘Daar wisten we helemaal niets van. We waren daar om een stelletje vandalen op heterdaad te betrappen. Ziet u, het was de koster opgevallen dat het hek naar de begraafplaats ineens niet meer piepte. Daarom hadden we het vermoeden dat de grafschenners die onze regio al een paar maanden teisteren, ons kerkhof een bezoek wilden brengen.’
In … uit … In … uit …
Een verpleegster komt binnen.’U moet gaan, meneer Feenstra. Mevrouw Halsema moet rusten.’
Feenstra staat op. ‘Ik heb nog een paar vragen voor u. Ik kom morgen terug.’
Als hij weg is, checkt de verpleegster het infuus en doet de gordijnen dicht. Ze zijn donkerblauw.
‘Wilt u de deur open laten?’ vraag ik, als ze aanstalten maakt de kamer te verlaten. ‘Alstublieft?’